De wilde (een jeugdfeuilleton) 3

Peter schraapte zijn keel. ‘Ik doe geneeskunde, postdoctoraal, tropische geneeskunde, Leiden. Dat huilen is toch echt meer iets antropologisch, hoor. Het is een gebruik bij een geïsoleerd levend Indiaans volk.’

‘O, maar in die streken is psychologie toch heel belangrijk? Een bushdokter draagt toch voornamelijk suggestie in zijn koffertje of is het een belediging als ik dat zeg?’

Hij aarzelde. ‘Eh, nee geenszins, maar dat geldt voor iedere arts. Indien verstandig toegepast, helpt suggestie bepaalde blokkades op te heffen. Dat is iets anders dan leunen op bijgeloof of ander buiten de wetenschap ontstaan bedrog. Maar wat precies de grens is bij het hanteren van de medische autoriteit –want daarover hebben het hier eigenlijk- is nog door niemand geformuleerd. U zou niet zo lang in de zon moeten zitten.’

Ze trok haar wenkbrauwen op, keek onder haar schouderbandjes en pakte een witte blouse uit het koffertje. ‘Maar als het nou het aangewezen middel is. Als al het andere faalt, zou je het dan niet gebruiken?’

Hij legde zijn papieren op tafel. Als ik tutoyeer, zal het hypotheses regenen, verzinsels, willekeurige invallen. ‘Waar zou ik de overtuigingskracht vandaan moeten halen, er vanuit gaand dat ik een dergelijke therapie zou kùnnen geven. De fantasie als basis van behandeling? U zou vluchten als ik uw arts was.’

‘Je zou je erbij neerleggen, niet eens een poging wagen?’ Ze deed of ze ontzet was en deinsde achteruit.

‘Natuurlijk zou ik alles proberen dat in mijn vermogen ligt. Ieder leven is waardevol. Geen minachting of nonchalance, juist deze bedreigde mensen verdienen de uiterste inspanning, maar…’

Het koffertje zoemde opnieuw. Ze verontschuldigde zich en pakte de telefoon.

Peter zocht een uitweg. Ik ga te ver, straks wordt het onaangenaam. Ik moet me niet in het nauw laten brengen, het initiatief in handen krijgen of weggaan. Een stelling, een geval, onverschillig welk, een schijn van werkelijkheidswaarde voldoet, iets extreems, iets met mensenoffers?

De vrouw sperde haar ogen wijd open en greep met haar vrije hand de panden van de blouse. ‘Niets doen, niets doen. Ik kom meteen.’

Hij stak opgelucht zijn hand uit, maar zij trok hem overeind. ‘Je bent als geroepen. Kom, het is niet ernstig, denk niet dat ik paniek zaai, het is voor de zekerheid. Sander, mijn zoon, heeft zich bezeerd. Het personeel is zo tactloos tegenwoordig en nauwelijks geschoold. Alsjeblieft?’ Ze legde zijn papieren en boeken in haar koffertje en klikte het dicht.

lees verder