De wilde (een jeugdfeuilleton) 1

De zon had hem van zijn zolderkamer verdreven, zijn hospita eiste op mooie dagen het gebruik van het balkon en het autoverkeer verziekte de terrassen in de stad. Peter Koops was gevlucht en zat in de schaduw van een parasol, verschanst tussen de buitenbar van het strandpaviljoen en een diepvrieskist. Het monotone zoemen van het apparaat hield de gesprekken aan de andere tafels op afstand. Hij tekende al een half uur dagdromend pijltjes en cirkels, terwijl hij over de notities van het hoorcollege heen naar de badgasten staarde. Het is een kwestie van aan- en afvoer, van verbindingen, hindernissen. In een praktijk van duizenden vierkante kilometers verdwaal je gemakkelijk, een onvoorziene omstandigheid is voldoende. Langs de oevers van de Rio Branco geldt een eenvoudige eeuwenoude wet: je overleeft als je de voortdurende aanvallen afslaat.

In de deuropening van het paviljoen stonden een zeer gebruinde man en vrouw. Hij had een gouden ketting om zijn hals en een portefeuille in de band van zijn zwembroek; zij droeg een gele bikini en had een zwartleren koffertje in haar hand. Ze kwamen naar de bar en bestelden witte wijn met ijs.

Peter ging achterover zitten en hield de notities voor zijn gezicht. Wij zijn naakt zoveel kwetsbaarder. Je hoort nooit over basalioom bij indianen. Het komt doordat wij zoveel koelapparaten hebben en zo weinig pigment. Ik moet me er aan wennen iedere dag een hoed te dragen. Hij gluurde naar de roodbruine huid van de man en de vrouw bij de bar. Wij zijn de roekelozen. Eerst verschijnen de bobbeltjes die veranderen in etterende zweertjes en op den duur wordt het gehele aan de zon blootgestelde huidoppervlak verwoest.

Het tweetal ging naast hem zitten. De man gaf een van de glazen aan de vrouw. ‘Zo ben je weer onder het volk. Op de toekomst.’

Ze hief haar glas en zette het zonder te drinken neer. ‘Ik ben even weg geweest, huisje in Zeeland, geweldig. Uit het circuit, mijn ziel schoon gemaakt, ruimte.’

De man wreef in zijn handen. ‘Vertel me alles, ik ben dol op leed.’

‘Er valt niks te vertellen.’ Ze sprak kortaf. ‘John was een goede architect, maar een slechte echtgenoot en al helemaal geen vader. Ik heb eenvoudig tegen mezelf gezegd dat ik niet ongelukkig ben.’

‘Knap hoor. Geen traantje geplengd?’

‘Je bent me iets te penetrant, misschien moet je gaan zwemmen.’ De man stond op. ‘Paula, je bent weer helemaal de oude. Heb ik je al verteld dat je er fantastisch uitziet?’ Hij wachtte even op een reactie, maar toen ze haar koffertje pakte, liep hij resoluut weg.

De vrouw zette het koffertje weer neer, rekte zich uit en kreunde. ‘Sommige mensen dringen zich als een dier je leven binnen.’ Haar stem zakte twee octaven. ‘Mijn excuses voor dat gênante incident van zo even. Stoor ik je?’ Ze legde haar voeten op tafel en schoof zijn boeken opzij.

Peter schudde zijn hoofd en keek onder de notities door naar haar gladde hielen en gelakte tenen. Dit is niet alleen ijdel, maar ook onpraktisch. Wie het eelt van zijn voeten vijlt, wijst de aarde af.