Kermisklanten

De botsauto’s maten zich een zeil aan

en vertrokken knetterendeknetter

-dat het op lawaai leek in voorouderstrijd-

met blauwe vlammen onder zonnegaas.

Zo landen wij op pleinen, monteren

de gevaarten voor de argelozen.

 

Op anabasis ploeterend voor de muze

van de grabbelton, krassen wij littekens

-gehuil uit autodafeeën, scheurbuik

uit zeeëeuwen- op de snippers van haar

rol, verstoppen het hinkstaphorloge

voor de kinderhand van de dommekracht.

 

Lichtflitsgeweld, trommelvuur, luchtalarm

-drievuldig door onze roodkoperen

Oppenheimer- volständig beglaubigt.

De troostroosjes in het spiegelpaleis

smelten voor onze kunsten op steile

wanden en sterven een ogenblik.

 

De logica van de cakewalk reinigt

het geheugen, maar de wroeging heeft geen

schroefdraad. Trofeeën verpieteren

in cellofaan. Achterwaarts orakelend

-eitcurtsnisdleweg- legt de waarzegster

een hinderlaag op de kalender.