Wetensap 3

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder de grond floreert de solidariteit

door prof. Kasper in ’t Woud hoogleraar Phytosemiotiek

Mijn vader serveerde mij twee jaar geleden een andijviestamppot die zo bitter smaakte dat wij na enkele happen onze eetlust waren verloren. De krop andijvie was net als de aardappelen afkomstig uit de grote moestuin achter mijn ouderlijk huis in de omgeving van Goirle. Deze grenst met een lange zijde aan het bos dat doorloopt tot in België en met het uiteinde -gescheiden door een rij elzen- aan een gekanaliseerde beek. Mijn vader is zijn hele leven een gedreven tuinier geweest en besteedt sinds zijn vroegtijdige uittreden wegens een conflict met de woningcorporatie waar hij werkte al zijn tijd in zijn zorgvuldig opgezette biologische paradijs.

Hypothese

Omdat hij nauwgezet een logboek bijhoudt, kon ik de ontwikkeling van de gewraakte krop teruglezen. Daarbij bleek dat mijn vader te weinig compost had overgehouden om het hoekje waar de krop groeide te bemesten. De eerste twee weken was deze duidelijk kleiner dan de andere die in een regel loodrecht op de beek waren geplant. Daarna volgde een opmerkelijke inhaalgroei. Omdat de helft van de krop niet in de stamppot was verwerkt, kon ik in het laboratorium de chemische oorzaak van de extreme smaak ontrafelen. Die bleek een drie maal hoger dan normale dosis van de bittere stof lactucopricine te zijn. Terstond drong zich een hypothese op. Ik vermoedde dat het in het genoom vastgelegde streven naar een ultieme vorm en omvang door het gebrek aan voedingsstoffen was gefnuikt, dat de jonge andijvie daardoor een overmaat aan lactucopricine had geproduceerd en deze stof ondergronds had afgescheiden. Wellicht had de bitterstof via het netwerk van schimmeldraden –het micorrhiza- een signaalfunctie voor de elzenboom in de nabijheid die op zijn beurt nitraat had afgescheiden uit de wortelknollen dat de inhaalgroei van de andijvie had veroorzaakt. De els is in staat met behulp van bacteriën stikstof uit de lucht te binden.

Stroomversnelling

Mijn hypothese bracht mijn vader in een staat van euforie. Hij stond erop dat wij mijn veronderstelling in zijn moestuin zouden testen en bestookte mij met een spervuur van vragen over ideale randvoorwaarden zoals noodzakelijke materialen en apparatuur om het experiment te doen slagen. Om hem enigszins af te leiden en de opwinding wat te laten bekoelen gaf ik hem het omvangrijke essay The intelligent plant te lezen dat Michael Pollan in The New Yorker publiceerde. Het opstel geeft een toegankelijk exposé van alle relevante onderzoeken naar de vaak onvermoede vermogens tot communicatie van planten. Hierdoor raakte onze door mij plechtig toegezegde samenwerking in een schier onbeheersbare stroomversnelling. Toen ik een week later mijn vader opnieuw bezocht, had hij de benedenverdieping van zijn woning totaal ontruimd en zich in de slaapkamers en op de zolder geïnstalleerd. In de uitgebroken grote ruimte op de begane grond stond een enorme tafel waaraan een twintigtal vitale zeventigers zat dat mij vol verwachting aankeek. Ik herkende een aantal van zijn studiegenoten en een oudoom die ik jaren niet had gezien. Verder bleken het leden van mijn vaders schaakvereniging, enkele oud-collega’s van zijn werk en de vakbondsafdeling, dames van de Tilburgse voedselbank en hobbytuiniers met wie hij regelmatig via het web contact onderhield.

Onderzoeksnetwerk

Alle leden van het gezelschap hadden het essay van Pollan gelezen en waren er door aangestoken. Zij overlaadden mij met onderzoeksvoorstellen die veelal een vervolg op of een variant waren van de in het opstel beschreven experimenten. De meeste waren schriftelijk uitgewerkt en soms in mijn eigen vaktaal geformuleerd. Het werd me snel duidelijk dat de kennissenkring van mijn vader een enorme potentie vertegenwoordigde. Onder de leden waren  behalve leraren biologie, enthousiaste amateur botanici, een chemisch analist, een statisticus en velen met ambachtelijke kwaliteiten die aanboden alle mogelijke proefinstallaties te bouwen.

Na enkele dagen werd ik opgebeld door de directeur van een grote zaadfirma, zoon van een gepensioneerd schaakvriend. Toen hij mij onbeperkt toegang tot zijn zaadbank aanbood, overcomplete laboratorium-apparatuur ter beschikking stelde  en mij bovendien voor een zeer aanzienlijk bedrag wilde sponsoren, verloor ik al mijn reserves. In hoog tempo ontstond een opmerkelijk onderzoeksnetwerk. Mijn ouderlijke woning vormde het centrum met vertakkingen naar een twintigtal tuinen van allerlei aard. Daar voerden mijn vaders vrienden uiteenlopende experimenten uit waarvan zij in bijkeukens en schuurtjes secuur de resultaten onderzochten en noteerden.

Mijn eigen rol spitste zich toe op het verfijnen van de hypotheses en methoden, het scheppen van praktische randvoorwaarden, het verzamelen van de gegevens en het onderhouden van het rap groeiend aantal externe contacten. Het regende blijken van interesse en steuntoezeggingen via de nijvere netwerken van mijn oudere medewerkers. De beheerder van het bosperceel naast mijn vaders tuin stelde het open voor ons project. Natuurorganisaties kwamen met suggesties. Tuincentra boden beschadigde planten aan. Een imker plaatste overal korven. Een computerfirma schonk afgeschreven laptops en webcams om met time-laps-opnamen de trage ontwikkeling van de planten waarneembaar te maken. Verschillende buitenlandse universiteiten boden vergelijking aan van onderzoeksuitkomsten. Gelukkig stelde mijn eigen Instituut voor Phytosemiotiek middelen beschikbaar om een staf te vormen van zeven roulerende studenten. Na een hectisch kwartaal marcheerde alles naar volle tevredenheid.

Resultaten

Intussen leverden enkele onderzoeken al (voorlopige) resultaten op. Zo registreerden wij de voorkeuren van de parasiet Groot warkruid middels het aantal stengels dat een exemplaar op verschillende (waard)plantensoorten afstuurde om er voedingstoffen en water aan te onttrekken. Daartoe had mijn vader in zijn voormalige woonkamer een tiental douchecabines geïnstalleerd en Warkruid omgeven door bijvoorbeeld een bonenplant, een brandnetel een ganzenvoet en een lupine. Daarnaast analyseerden wij de stoffen die de verschillende waardsoorten middels de lucht en de aarde afscheidden en confronteerden het Warkruid op kunstmatige wijze met een concentraat van deze stoffen.

Dankzij een ingenieus mechaniek, ontworpen door een werktuigkundige en gebouwd door een meubelmaker, herhaalden wij een boeiend experiment van de  Australische onderzoekster Gagliano met het Kruidje-roer-me-niet. Binnen een houten raamwerk konden wij zestig exemplaren vijf centimeter laten vallen waarop zij de kenmerkende reactie van de invouwende blaadjes vertoonden. Dit herhaalden wij nadat ze omhoog waren getrokken zestig maal met een interval van tien seconden. Na enkele vallen stopten de eerste exemplaren met de reactie. Aan het eind van de proef reageerde geen enkele plant meer. Wij hebben ons niet zoals Gagliano afgevraagd of hier sprake was van een leerproces, maar hebben de proef om de vier weken herhaald tot de planten hadden gebloeid en zaad vormden. Zo ontdekten wij aanwijzingen dat de extreme ‘ervaring’ bij enkele exemplaren leidde tot epigenetische veranderingen. Als vervolg hierop startten wij een onderzoek naar de toenemende weerbaarheid van gras in de doelmonden bij alle amateurverenigingen in de wijde omgeving.

Door een radioactieve stikstof-isotoop toe te voegen aan een van de elzen langs mijn vaders moestuin stelden wij met een geigerteller de omvang van het micorrhiza vast dat tot enkele tientallen meters in het bosperceel bleek te reiken. Daarbij ontdekten wij tevens dat ook een paar piepjonge berken in de schaduw van volgroeide exemplaren profiteerden van de voedseluitwisseling via het schimmeldradennetwerk. Van deze altruïstische relatie deed een van onze vrouwelijke onderzoeksters in vertederde termen verslag. Echter zonder enig spoor van onzorgvuldigheid bij het vastleggen van de waargenomen resultaten. De toewijding waarmee de deelnemers aan het project hun bijdragen leveren is zonder meer voorbeeldig.

Nieuwe Fase

Na twee jaar hard werken gaat het project, dat inmiddels bekendheid geniet onder de naam ‘Plant, signaal en gevolg’, een nieuwe fase in. Enkele glastuinbouwbedrijven beginnen een omvangrijke proef met het vluchtige plantenhormoon methyljasmonaat dat een waarschuwingsfunctie heeft voor tomaten- en bonenplanten bij aanvallen door rupsen. Methyljasmonaat trekt sluipwespen aan die de rupsen verdelgen. Op kleinere schaal herhalen zij de bodeminjecties die in de tuinen van mijn vaders vrienden veel aanvreetschade en ziekte hebben voorkomen. In het bos naast mijn ouderlijk huis is een educatief centrum gebouwd dat een aantrekkelijk pakket voor het basisonderwijs aanbiedt en op grote schaal een reeks heel eenvoudige proeven uitvoert met alle schooltuinen in de provincie.

Dit artikel biedt onvoldoende ruimte om alle resultaten op te sommen. Een evaluatie van de uitkomsten van het project heeft tot een aantal nieuwe hypothesen geleid die op creatieve wijze door mijn vaders vrienden en mijn studenten in nieuwe experimenten zijn omgezet. Helaas zijn ons twee leden van het projectteam ontvallen. Beiden stierven een natuurlijke dood in hun  achtertuin. Aanvulling van de menskracht blijkt echter geen enkel probleem. De belangstelling is enorm, maar de ballotage is zeer streng. Bomenknuffelaars of anderszins esoterisch georiënteerden maken geen schijn van kans toe te treden tot het project.

Mijn vader is door het project totaal opgebloeid. Al zijn verbittering over de teloorgang van waarden als solidariteit en soberheid binnen de wereld van de woningcorporaties heeft plaatsgemaakt voor een niet aflatend vorsen in het plantenrijk. Hij is bijzonder trots, ook al probeert hij dat te verbergen, op de nieuwe andijvievariëteit die ons aanvankelijke experiment heeft opgeleverd. De bittere bosandijvie zal zijn weg niet vinden naar uw eettafel, maar geniet een groeiende populariteit als borderplant vanwege de fraaie blauwe bloemen. In mijn werkkamer hangt een grote foto waarop mijn vader staat midden in een bed van Cichorium endivia acerbus saltus.  

 

(Binnenkort verschijnt een populair wetenschappelijke publicatie over de resultaten van het project onder de titel: Hoe verstandig is een voetbalveld.)