De maat (een jazzfeuilleton) 2

‘…an endless start.’

Charley nam een slok. ‘Santé, Harrie. ’t Zit lekker vol, hè?’ Je hebt vlekken op je revers. Dat krijg je. ‘Wil jij ook een entrecootje?’ Tuurlijk. ‘Twee entrecotes, medium rauw.’ Eigenlijk hadden we niet moeten spelen, Har. Of juist wel? Thuis zit je maar te piekeren.

‘Vertel eens een bak, Charl.’

Charley aarzelde. Die met die olifanten? Nee. Die over die vent, die in het fonteintje staat te vissen? ‘Er schiet me even niks te binnen, Harrie.’ Heb ik altijd. Als ik grappig moet zijn, raak ik mijn  tekst kwijt. Jij niet Har, in de moeilijkste situaties weet je nog een geintje. Al moesten we bukken voor de barkrukken. Misschien ben ik voorzichtiger omdat het drumstel van mezelf is, de piano’s blijven altijd staan. Dat  is lullig, je hebt me nooit laten zitten. In geen dertig jaar. Ga nou niet zitten janken, Charl. Hij gaf een nijdige klap tegen de bel. ‘Zeg lieverd, we kunnen niet spelen met een lege maag. Denk je aan die entrecotes?’ Het personeel wordt almaar jonger, slordiger ook. Zwarte jurken en witte schortjes hoeft echt niet meer, maar dit wicht kan straks meteen door naar de disco.

Harrie draaide een zwaar shaggie. ‘Hebben wij ooit eerder in Alphen gespeeld, Charl?’

‘Volgens mij wel, maar of dat hier was…moeilijk te zeggen. De balken zijn bruin en er hangen overal hertenkoppen aan de wand. Maar deze tent is net verbouwd, je ruikt de verf nog.’ Sommige tenten kun je na jaren moeiteloos uittekenen. Limburgia met die danseresjes. De Cleef natuurlijk, waar Nel werkte. ‘Zet maar een wijntje naast m’n bord, lieverd.’ De poort van Cleve, ons eerste contract. Had je toen nog, een maand soms langer. Het verdiende ook leuk daar. De tweede avond nam Nel zo maar de microfoon. You can have my husband, but don’t you move with my man. Up-tempo op de snare en de hi-hat, het ging vanzelf. Een donkerbruine alt met blond haar op hakken. Brubeck was van de baan. Je was gelijk verkocht, Har. Het meisje bracht de borden. ‘Dankjewel lieverd. Laten we ze naar binnen werken, Harrie, anders wordt het zo laat. Ik heb afgesproken dat we zes setjes spelen. We zijn al over de helft.’ Charley keek rond. Ik denk dat ik ‘de Houtduif’ in Alphen ook nooit vergeet: dat hert met glazen stuiters in zijn dooie kop of die ruche langs de schouw. Dit brandt in mijn hersens vanwege Nel, net als de laatste avond in ‘le Colombier’ met Jacqueline. Ik zie haar nog staan met die soepjurk aan en dat bleke verbeten koppie. Tu me tortures, salot; je pijnigt me schoft. Toen zat ik ook met mijn bek vol tanden. Houd eens op Charley jongen, jij drinkt geen druppel meer vanavond. ‘Zeg Har, ik dacht eerst een instrumentaaltje Pyramid kan goed en dan Summertime , Trav’lin light…’

‘Is goed Charl, laat jij ze grienen. Ik moet nodig uit mijn buik huilen.’

Onverslaanbaar, nog kaarsrecht. ‘Het toilet is linksaf daar, Har.’ Ouwe reus, zet nog steeds in zijn eentje de piano op zijn plaats. Charley at het vlees op en liep naar de zaal. Het podium kraakte. De kroonluchters waren uitgedraaid, op alle tafels brandden kaarsen tussen dennentakken. Het rode drumstel glom in het licht van de spotjes. ‘Zeg ober, is de baas al binnen?’

‘Ik kom straks bij je. Er wachten dertig soles meunières op me.’

Charley stak een sigaret op. Green dolphin street? Nee dat spelen we later. North of the sunset en Somebody’s rockin’ my dreamboat zijn voldoende. Laat ik even naar het matje onder de snare kijken, die klonk niet fijn. Heb ik dat kind nou om een bonnetje gevraagd?

lees verder