Ondertussen

Langs de vloedlijn leggen zij hun zorgen

af, stappen in het geroezemoes.

Eerst enkeldiep maar al gauw dobberen

zij rond in halve vierkante meters,

lichten zeevonken op in de branding.

Tussen kruin en achillespees ontvlamt

een pyrotechnisch mirabillium.

De betovering van ademnood spitst

hun zintuigen toe op de kleine ruimte.

Soms raken ze elkaar, breekt hun huid

voor even in een navelanemoon,

maar de duivels in hun ledematen

kluisteren hen in ritmisch lijfsbehoud.

 

Op de rug van een biddend insect is ons

werk zo veel eenvoudiger. Het zoemen

bevordert de slaap in vierploegendienst.

Een vaste baan zonder het gebulder

van cantates verscherpt onze aandacht.

Geen duikvluchten meer om onze vingers

in de wonden te dopen maar studie

van genezing. Het verkleuren van wild

vlees boeit meer dan ontwijde dromen.

Wij schrijven aanbevelingen met babyolie

waarin wij onze stramme vlerken verzorgen

en tellen de steekjes langs de meridianen.