De kunst afwezig te zijn

Weg sluipend uit het stroomschema

van de lijstenmaker speel ik mijn geheim

op de hondenfluit, laat de hoorn

bungelen voor het afscheid, geef

de scherven opdracht hun plaats

te weigeren, drink ongezien. Ik ben

een mangat, veranderlijk als weer,

waaruit ontsnapt een hogedrukgebed

om gezelschap, een eivormig vacuĆ¼m,

een rookgordijn voor de waarnemers.

Tegen het van voor tot achter zaai ik

het gezichtsveld in met cannabis, ontwijk

de boobytraps van de blikken door

een schijnvertoning onder een laag

zonnetje, scheur het decor langs

de omtrek van zijn betekenis. Ik heb

mijn hoofd opgeheven ook al folderen

hersenspinsels bij de prikklok, echoot

door de productiehal het zuipfeest

van vandalen, ik houd mijn mond dicht.

Veilig in de achterstand doof ik lantarens

van gevolg, laat slechts geurtjes achter

van gemis als ik betrapt word met rode

oren, paarse vingers door het buiten

staan, gevangen in condens op het raam.