Archief

‘s Avonds fladderen ze uit de kasten,

bevuilen de koepel  met kinderleed en

onderbuiken. Ontsnapten houden halt,

slaan hun nagels in het hout en schuilen

tussen mappen vol met ingepasten.

Als de luiken opengaan, het heden

binnenvalt, lijkt de orde weer compleet.

 

De archivaris schiet een stofjas aan,

voorziet vergeelde liefdes van een code,

strijkt kreukels glad in een vernedering.

Hij volgt geen methode, vindt wat hij zoekt

nog op de tast, maar weet niet of het waar

is wat hij gisteren heeft aangepast.

In zijn herinnering loert de twijfel.

 

Wat zegt een ezelsoor, een potloodstreep?

Zilvervisjes vreten steeds meer sporen

weg. Menig dossier, vergaan tot stof, laat

hij voor altijd ongeopend. Hij raakt

de greep op de ontleding kwijt, verliest

zichzelf in wrevel en vegeteert als

gijzelaar van wie hij is vergeten.